Persoonlijke hulpmiddelen

Home > Kenniscentrum > Onderzoek

Onderzoek

Op deze pagina informatie over lopende en uitgevoerde onderzoeken met betrekking tot de duiven(sport).

Onderzoek naar de vluchtprestaties van duiven met behulp van GPS technieken


door Lizanne Jeninga (juni 2018)

In een wedvlucht zijn de prestaties van de duif erg belangrijk, want om te winnen zal de duif beter moeten presteren als zijn tegenstanders om als eerste weer terug op het hok te zijn. De vluchtprestaties van duiven kunnen onderling sterk variëren, niet alleen tijdens dezelfde vlucht maar ook van vlucht tot vlucht. Er is al veel onderzoek verricht naar duiven, en dan met name naar hun navigatievermogen; hoe ze zich oriënteren en vervolgens navigeren, en welke factoren (zoals de stand van de zon, magnetische intensiteit en landschapselementen) ze daarbij gebruiken (review in: Wiltschko & Wiltschko, 2015). Echter, over wat verder hun vluchtprestatie gedurende een (wed-)vlucht beïnvloedt, is veel minder bekend. We weten dat herhaaldelijk lossen vanuit dezelfde losplaats de vluchtprestaties kan verbeteren (e.g. Biro & Guildford, 2004) en dat ook allerlei sociale factoren een invloed kunnen hebben op vluchtprestaties, zoals bijvoorbeeld het vliegen in een groep, wat de snelheid en oriëntatie positief kan beïnvloeden (Dell’Ariccia et al., 2008; Mehlhorn & Rehkaemper, 2016; Schiffner & Wiltschko, 2009). 

Er zijn echter ook nog vele vragen, zoals of de vluchtprestaties van de duiven ook direct te koppelen zijn aan hun fysieke conditie, en of vluchtprestaties beïnvloed worden door de omstandigheden tijdens de vlucht, zoals de weersomstandigheden en het onderliggende landschap. Kennis hierover zou niet alleen bij kunnen dragen aan het leren begrijpen van de variatie in vluchtprestaties, maar zou ook kunnen bijdragen aan het verbeteren van het vliegprogramma en lossingstrategieën en zo kunnen zorgen voor een verbeterd welzijn van de duiven, bijvoorbeeld in de vorm van minder achterblijvers. Vanuit dit oogpunt heb ik vanaf juli 2017 tot maart 2018, in samenwerking met de werkgroep Wetenschappelijk Onderzoek Welzijn Duiven (WOWD) van de NPO en in het kader van mijn afstudeerproject aan de Wageningen Universiteit, onderzoek gedaan naar de vluchtprestaties van duiven door gebruik te maken van GPS ringen (weergeven in figuur 1 & 2). In dit artikel wil ik de lezer door middel van een samenvatting informeren over de opzet en resultaten van dit onderzoek en mogelijke vervolgstappen.

 

Figuur 1. Duif met GPS ring (linkerpoot).

 

Figuur 2. Close-up GPS ring.

Bij vluchtprestaties wordt er meestal gekeken naar de aankomsttijden op het hok, aangezien dit de eindklassering van de duif bepaalt. Echter, er gaat hieraan een hele vlucht vooraf, die onder invloed staat van vele factoren. Het is daarom interessant om te kijken hoe de duif gedurende de vlucht vliegt. Een tweetal componenten bepalen de prestaties van de duif in de vlucht, namelijk de vliegsnelheid en de oriëntatie. Een snellere duif kan namelijk eerder op het hok aankomen, maar ook een duif die zich beter kan oriënteren naar huis kan sneller thuis zijn dan de rest, omdat zijn route efficiënter is (minder afwijking van de rechte lijn  naar huis). In dit onderzoek naar vluchtprestaties is daarom naar beide factoren gekeken. Hiervoor is GPS uitermate geschikt, omdat het met GPS ringen (ook wel loggers genoemd) mogelijk is om de duif te volgen gedurende zijn vlucht naar huis. Zoals weergeven in figuur 3, slaat de logger om de 3 minuten de locatie op waar de duif is geweest (punt op de kaart). Door de opgeslagen locaties te verbinden, is het mogelijk om de gevlogen route te reconstrueren. Bovendien wordt er naast de locatie ook nog meer informatie opgeslagen, waaronder de tijd, hoogte en vliegrichting. Zo is het dus mogelijk om de vliegsnelheid op verschillende delen van het traject te berekenen en te bepalen hoe “recht” de route naar huis is geweest, en dus of de duif veel heeft afgeweken van de rechte lijn naar huis of niet. Dit alles geeft een beeld van de bovengenoemde componenten van de vlucht, namelijk vliegsnelheid en oriëntatie.

 

Figuur 3. Voorbeeld kaartweergave van de opnames van vier duiven met GPS ring.

Voordat we in deze studie vluchtgegevens met de GPS ringen hebben verzameld, zijn er in augustus en september 2017 eerst dummy vluchten, met een afstand van 30 km, uitgevoerd. Dit zijn vluchten waarbij de duiven zogenaamde dummy ringen droegen. Dummy ringen zijn qua omvang en gewicht gelijk aan de GPS ringen, maar registreren geen gegevens. De dummy ringen zijn bedoeld om de duiven te laten wennen aan het dragen van de ring. Zo kan ook worden bekeken hoe de duiven reageren op het dragen van een ring. Bovendien maken de dummy vluchten het mogelijk om te testen of de ringen een negatief effect hebben op de vluchtprestaties van de duiven. Dit is niet alleen van belang voor de interpretatie van de resultaten van het onderzoek, maar bovenal ook voor het welzijn van de duiven. De dummy vluchten hebben we uitgevoerd met twee groepen duiven (19/20 duiven per groep), namelijk duiven met dummy ring en duiven zonder dummy ring. De duiven werden gelost in paren: één duif met dummy ring en één duif zonder ring. Door op die manier beiden groepen zoveel mogelijk onder dezelfde condities te laten vliegen, kan een groepseffect worden uitgesloten. Vervolgens hebben we de aankomsttijden van beide groepen vergeleken met behulp van een statistische test. De resultaten hiervan laten zien dat er over het algemeen geen negatieve effecten van de ring konden worden aangetoond. Het lijkt er dus op dat er geen grote effecten zijn van de ring op de vluchtprestaties van de duiven. Wat wel opviel, is dat, tussen de vluchten door in de hokken, het gedrag van de duiven met een dummy/GPS ring soms afwijkend was in de vorm van onder andere het trekken met de poot of het pikken naar de ring. Mogelijk werd dit veroorzaakt doordat de GPS ring los om de poot zat en kennelijk in hinderlijke mate kon bewegen. Er wordt nagedacht over een mogelijke oplossing voor dit probleem, bijvoorbeeld door het plaatsen van een passende ring onder de GPS ring.

Als vervolg op de dummy vluchten hebben we in september en begin oktober 2017 GPS vluchten gehouden op een drietal trajecten (30, 75, 120 km). Ook in deze vluchten hadden we een controle groep, waardoor we met twee groepen duiven vlogen: een groep duiven met GPS ring en een groep duiven zonder GPS ring (6/10 duiven per groep). Vanwege deze opzet hebben we ook in de GPS vluchten de duiven paarswijs gelost, één duif met GPS ring samen met één duif zonder GPS ring. Voorafgaand aan de GPS vluchten hebben we metingen gedaan aan het gewicht en de omvang (tarsus- (deel van de poot) en vleugellengte) van de duiven, het stadium van rui bepaald, en een uiterlijke conditiescore vastgesteld (door een expert). Daarnaast is er achteraf ook informatie verzameld over de landschaptypes en weersomstandigheden op de gevlogen routes. Door de gegevens van de vluchtopnames te analyseren was het mogelijk om de vluchtsnelheid en oriëntatie te bepalen. Vervolgens is er getest met behulp van statistische toetsen of de conditie van de duif, het landschap en de weersomstandigheden, of een combinatie van deze factoren, een effect hadden op de vluchtsnelheid en oriëntatie van de duiven.

In de meeste gevallen was er een duidelijk effect van de weersomstandigheden op de vluchtprestaties. Bijvoorbeeld, bij een hoge windsnelheid zag men minder directe vluchtroutes en lagere vliegsnelheden. De effecten van het weer op de vlucht van duiven, of vogels in het algemeen, is goed bestudeerd. Daardoor is er al behoorlijk wat kennis hierover (e.g. Alerstam, 1979a, 1979b; Richardson, 1978). De meeste effecten die ik heb gevonden waren in lijn met de verwachtingen, alhoewel sommige effecten onverklaarbaar waren. Zo werd er een effect van temperatuur op de vluchtprestatie gevonden, namelijk dat de vluchtprestaties beter waren onder relatief hogere temperaturen. Een directe verklaring hiervoor ontbreekt. Er zijn eerdere onderzoeken uitgevoerd die dit verband ook hebben gevonden. De onderzoekers schreven dit echter vaak toe aan de toegepaste onderzoeksmethoden (het model) of aan een bij-effect van de onderzoeksopzet (Michener & Walcott, 1967; Dornfeldt, 1991). Dat dit ook het geval is in mijn onderzoek, kan niet direct worden geconcludeerd, maar een direct verband lijkt te ontbreken. Daarentegen, en anders dan verwacht, werden er maar weinig effecten van het landschap en de conditie van de duif op de vluchtprestaties gevonden. De effecten waren veelal klein of niet eenduidig. Zo werd bijvoorbeeld verwacht dat de hoogste vliegsnelheid en de beste oriëntatie gevonden zouden worden bij een optimum gewicht/omvang ratio van de duif, aangezien een lagere ratio kan wijzen op een minder grote energievoorraad en een hogere ratio op meer energieverbruik ten gevolge van het meedragen van het gewicht. Het gevonden effect van gewicht/omvang ratio op de oriëntatie was echter inconsequent voor de verschillende  metingen (tarsus- en vleugellengte); zowel een betere oriëntatie als een minder directe vluchtroute werden gevonden voor hogere gewicht/omvang ratio’s. Daarnaast was er ook de verwachting dat stedelijk gebied een negatieve invloed zou hebben op de prestaties in de vlucht, omdat in eerder beschreven onderzoek een verminderde ontwikkeling van stereotype routes werd gevonden (Armstrong et al., 2008). Echter dit heb ik niet kunnen aantonen.

We kunnen concluderen dat de door mij uitgevoerde studie de belangrijke rol van weersomstandigheden in vluchtprestaties bevestigt, maar ook onduidelijkheden over laat wat betreft de invloed van het landschap en de fysieke conditie van duiven. Ondanks dat een aantal statistisch aangetoonde effecten hiervan op de vluchtprestaties zijn gevonden, zijn deze niet sterk en zijn de effecten die zijn gevonden niet eenduidig. Wellicht zijn de effecten van het landschap en de fysieke conditie op vluchtprestaties minder direct of zijn deze alleen zichtbaar bij grotere verschillen in fysieke conditie (bijvoorbeeld bij duiven in een veel zwakkere of juistere betere conditie dan dat bij de door ons gebruikte duiven het geval was) of een langere vluchtafstand met bijvoorbeeld meer bos of over grotere steden. Dit zal met nader onderzoek verder bestudeerd moeten worden, bijvoorbeeld door het gehele vluchtseizoen in het onderzoek mee te nemen en door meerdere vluchten vanuit steeds dezelfde losplaats uit te voeren. Ook zou het interessant zijn om in vervolgonderzoek te focussen op de vluchtprestaties van jonge duiven, aangezien in deze vluchten soms grote verliezen geleden worden, en hierin ook een duidelijk leeraspect aanwezig is.

Ondanks dat niet alle aangetoonde effecten in mijn studie even uitgesproken aanwezig waren, kunnen we toch stellen dat dit onderzoek een waardevolle stap is geweest in de studie naar vluchtprestaties van duiven gedurende de vlucht. Het laat zien dat het goed mogelijk is om met GPS ringen relevante en nauwkeurige gegevens te verzamelen en dat het hiermee mogelijk is om vluchtprestaties van duiven te analyseren.

Meer informatie over mijn onderzoek en de uitkomsten hiervan zijn te lezen in mijn onderzoeksverslag. Deze is te lezen via http://www.wowd.nl/publicaties/de-vlucht/

Referenties

Alerstam, T. (1979a). Optimal use of wind by migrating birds: Combined drift and overcompensation. Journal of Theoretical Biology, 79(3), 341–353.

Alerstam, T. (1979b). Wind as Selective Agent in Bird Migration. Ornis Scandinavica, 10(1), 76.

Armstrong, C., Mann, R., Collett, M., Freeman, R., Roberts, S., Wilkinson, H., & Guilford, T. (2008). Why do pigeons form habitual routes ? In Proceedings of the Orientation and Navigation—Birds, Humans and Other Animals Conf. of the Royal Institute of Navigation, Reading, UK (pp. 2-4).

Biro, D., Meade, J., & Guilford, T. (2004). Familiar route loyalty implies visual pilotage in the homing pigeon. Proceedings of the National Academy of Sciences, 101(50), 17440–17443.

Dell’Ariccia, G., Dell’Omo, G., Wolfer, D. P., & Lipp, H. P. (2008). Flock flying improves pigeons’ homing: GPS track analysis of individual flyers versus small groups. Animal Behaviour, 76(4), 1165–1172.

Dornfeldt, K. (1991). Pigeon homing in relation to geomagnetic, gravitational, topographical, and meteorological conditions. Behavioral Ecology and Sociobiology, 28(2), 107–123.

Mehlhorn, J., & Rehkaemper, G. (2016). The influence of social parameters on the homing behavior of pigeons. PLoS ONE, 11(11), 1–13.

Michener, M. C., & Walcott, C. (1967). Homing of Single Pigeons--Analysis of Tracks. Journal of Experimental Biology, 47(1).

Richardson, W. J. (1978). Timing and Amount of Bird Migration in Relation to Weather: A Review. Oikos, 30(2), 224.

Schiffner, I., & Wiltschko, R. (2009). Point of decision: when do pigeons decide to head home? Naturwissenschaften, 96(2), 251–258.

Wiltschko, R., & Wiltschko, W. (2015). Avian navigation: A combination of innate and learned mechanisms. Advances in the Study of Behavior, 47, 229–310.

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.