Persoonlijke hulpmiddelen

Home > Over NPO > Rechtsgang > Uitspraken 2015 > Herzieningsverzoek uitspraak Beroepscollege
Uitspraak: 15.1.701 H

Herzieningsverzoek uitspraak Beroepscollege

Afdeling dient verzoek in om herziening van uitspraak Beroepscollege d.d. 8 april 2015. Afdeling is van mening dat als het Beroepscollege indertijd de gevolgen van haar besluit had kunnen overzien zij anders had beslist. (verzenddatum uitspraak: 19 oktober 2015)

BESLISSING

van het
BEROEPSCOLLEGE VAN DE NEDERLANDSE POSTDUIVENHOUDERSORGANISATIE

Inzake het verzoek om herziening van de beslissing van het Beroepscollege d.d. 8 april 2015, schriftelijk bevestigd d.d. 24 april 2015

Dossiernummer: 15.1.701H

Partijen:
Vereniging Afdeling 5 Zuid-Holland
Gevestigd te Alphen aan den Rijn

verzoekster
Gemachtigde: mr. F.A. van Brussel, advocaat

Vereniging De Kuststrook
Gevestigd te Wateringen
belanghebbende
Gemachtigde: de heer A.J. Veninga, sstt

Vereniging Nederlandse Postduivenhouders Organisatie
Gevestigd te Veenendaal
belanghebbende
gemachtigden: L.A. Mackaay en F.A.E.M. Marinus sstt

Partijen zullen hierna worden aangeduid als Afdeling 5, Afdeling 12 en Bestuur NPO.

DE PROCEDURE

De onderhavige zaak betreft een herzieningsprocedure. Dat betekent dat het verzoek dient te worden getoetst aan artikel A26 Reglement Rechtspleging NPO. Meer in het bijzonder heeft het Beroepscollege te toetsen of er nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan het Beroepscollege, indien zij ten tijde van de behandeling bekend waren geweest, tot een andere uitspraak zou zijn gekomen.

ONDERZOEK TER ZITTING

Ter zitting d.d. 22 september 2015 zijn verschenen:
Afdeling 5 met een delegatie, bijgestaan door mr. Van Brussel voornoemd;
Afdeling 12 met een delegatie, bijgestaan door de heer Veninga voornoemd;
Bestuur NPO, vertegenwoordigd door haar gemachtigden voornoemd.

Afdeling 5 heeft herziening van genoemde beslissing verzocht overeenkomstig haar verzoekschrift. Afdeling 5 heeft haar verzoek verder toegelicht middels een pleitnota van mr. Van Brussel die aan deze uitspraak is gehecht en middels hetgeen ter zitting door mr. Van Brussel en de delegatie van afdeling 5 is gesteld zoals weergegeven in het verslag van de zitting welk verslag ook aan deze uitspraak is gehecht.

Afdeling 12 heeft als belanghebbende haar reactie gegeven middels haar gemachtigde de heer Veninga alsmede door en middels hetgeen ter zitting door de delegatie van afdeling 12 is gesteld en zoals weergegeven in het verslag van de zitting.

Bestuur NPO heeft als belanghebbende haar reactie gegeven middels haar gemachtigden zoals weergegeven in het verslag van de zitting.

Het verslag is aan partijen verzonden. Afdeling 12 heeft een reactie gezonden welke reactie aan deze uitspraak is gehecht.

BEOORDELING

Het Beroepscollege heeft zich, naar aanleiding van hetgeen partijen hebben gesteld, genoodzaakt gezien, de toetsingsgrond ex artikel A26 nader te definiëren. Het gaat om de vraag of het verzoekschrift met bijlagen, en hetgeen ter zitting wordt betoogd, kan leiden tot herziening van de uitspraak van dit Beroepscollege. Dat kan alleen als er nieuwe feiten of omstandigheden bekend zijn geworden op grond waarvan het Beroepscollege, als deze feiten of omstandigheden ten tijde van de behandeling bekend waren geweest, tot een andere uitspraak zou zijn gekomen. Dat betekent ook dat deze feiten en omstandigheden, die niet bekend waren en niet bekend konden zijn bij de verzoekende partij, plaats moeten hebben gevonden vóór de uitspraak. Feiten en omstandigheden, zoals gevolgen van de uitspraak, kunnen niet leiden tot herziening omdat die niet zijn gelegen in het tijdvak vóór de behandeling. Het Beroepscollege baseert zich hierbij op haar literatuuronderzoek en verwijst naar de volgende bronnen die het Beroepscollege heeft geraadpleegd: artikel 8:88 Awb; artikel 457 WvSv, artikel 52 Wet BIG juncto artikel 23 Tuchtrechtbesluit BIG en het artikel: ‘Het rechtsmiddel herziening in het tuchtrecht: Voort met de Kaderwet Tucht(proces-)recht voor vrije beroepen! [1]

DE BEOORDELING

  • Over de bevoegdheid

Het Beroepscollege is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot onbevoegdheid van het Beroepscollege. Het beroepscollege acht zich daarom bevoegd van het verzoek tot herziening kennis te nemen.

  • Over de ontvankelijkheid

Het Beroepscollege is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot niet ontvankelijkheid. Het Beroepscollege acht daarom verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.

  • Overwegingen betreffende het verzoek om herziening

Het is het Beroepscollege, gebleken dat de ingediende stukken en het behandelde ter zitting betrekking hebben op onvrede met de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en in het bijzonder de gevolgen daarvan. Het Beroepscollege heeft nota genomen van de positie van de verenigingen en de individuele leden die zich reeds bij afdeling 5 hadden aangesloten en in het bijzonder van de individuele leden die niet terug wensen te keren naar afdeling 12 en daarom geen deel kunnen nemen aan wedvluchten en hun duivensport ook anderszins niet in volle omvang kunnen uitoefenen en beleven. Dat alles maakt echter niet dat er sprake is van een grond voor herziening zoals beschreven in artikel A26 Reglement Rechtspleging NPO. Het Beroepscollege stelt vast dat er door partijen geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangebracht op grond waarvan het Beroepscollege, als deze feiten of omstandigheden ten tijde van de behandeling bekend waren geweest, tot een andere uitspraak zou zijn gekomen.

  • Overwegingen betreffende de bevoegdheden van Beroepscollege inzake geschillenbeslechting in het algemeen en het geschil tussen afdeling 5 en afdeling 12 in het bijzonder.

Desgevraagd en onverplicht zal het Beroepscollege enkele overwegingen wijden aan de opmerkingen van afdeling 5 over de bevoegdheden die het Beroepscollege heeft inzake geschillenbeslechting in het algemeen en het geschil tussen afdeling 5 en afdeling 12 in het bijzonder.

De bevoegdheden van het Beroepscollege worden geregeld in het reglement Rechtspleging N.P.O. Het Beroepscollege is van mening dat zij binnen deze kaders dient te blijven. Meer in het bijzonder is het Beroepscollege van mening dat zij niet op de stoel van enig bestuur moet gaan zitten.

Het beroepscollege toetst in tweede instantie de uitspraken van de Tucht- en geschillencolleges in eerste aanleg. Indien, zoals in de onderhavige zaak, een geschil ontstaat tussen twee afdelingen dan beslecht het Beroepscollege dit geschil. Het zal altijd zo zijn dat één der partijen min of meer tevreden is met de uitspraak en de andere partij min of meer ontevreden.

Voorts kan het Beroepscollege zich niet aan de indruk onttrekken dat het onderhavige geschil niet alleen (meer) over de feiten gaat maar dat de besturen en bestuurders zich ook hebben ingegraven in hun eigen standpunten. Hoewel beide partijen stellen dat zij in het belang van de duivensport handelen, is het Beroepscollege de mening toegedaan dat, indien beide partijen inderdaad het belang van de duivensport; het belang van de aan hen gelieerde verenigingen en het belang van de individuele leden als richtsnoer zouden hebben genomen, deze situatie niet zou zijn ontstaan. Ook ter zitting is het geschil door beide partijen teruggebracht tot een aparte lossing binnen de 400 kilometergrens en de vrijdaglossing. Nu ook andere fuserende afdelingen soortgelijke arrangementen hebben getroffen, komt het het Beroepscollege voor dat niet slechts rationele argumenten aan het geschil ten grondslag kunnen liggen. De zaak is door de besturen getrokken in een conflict waarbij beide partijen hun stellingen hebben betrokken en geen duimbreed wensen toe te geven. Het tegendeel is het geval. Beide partijen diskwalificeren elkaar. De beslissingen van het Tucht- en geschillencollege en het Beroepscollege zijn door partijen getrokken in de sfeer van winnen en verliezen. Het Beroepscollege is echter van mening dat zowel afdeling 5 als afdeling 12 allebei zeer gevoelige verliezen hebben geleden. Het belangrijkste verlies is dat de fusie op grond van enkele detailafspraken, niet is doorgegaan. Afdeling 12 wordt geconfronteerd met een verlies van vele leden die niet meer bij afdeling 12 wensen te behoren en daar zelfs hun duivensportwedstrijden voor opgeven en afdeling 5 heeft zich als in eerste instantie “winnende” partij niet nog eens gebogen over de consequenties van de beslissing in eerste aanleg en over de verdere mogelijkheden. Hetzelfde geldt voor afdeling 12 na de beslissing van het Beroepscollege. Een en ander heeft geresulteerd in een kort geding waarbij er weer een “winnende” partij is en een hoger beroep waarvan de afloop voor beide partijen onzeker is. Voorts heeft het Beroepscollege een, gezien de wettelijke regels en de jurisprudentie, naar haar oordeel kansloze vordering zien passeren die beslist niet zal bijdragen tot toenadering van partijen. Het Beroepscollege constateert dat de bestuurders, zonder uitzondering, zich niet hebben gedragen als de goede en wijze mannen die zij geacht worden te zijn. Het Beroepscollege roept de bestuurders van partijen op zich te beraden op de belangen die zij geacht worden te dienen en met elkaar in gesprek te gaan om deze toch in de grond eenvoudige zaak genoegzaam te regelen met voorbijgaan aan de eigen gekwetste ego’s en met in acht neming van de wijsheid die hen als bestuurders wordt toegedicht.

DE BESLISSING

Het Beroepscollege wijst af het verzoek tot herziening.

Zwaag, 19 oktober 2015

De voorzitter

Afschrift van deze beslissing is op 19 oktober 2015 aan de partijen toegezonden.

 

voetnoot:

[1] WPNR 2012(6927) Het rechtsmiddel herziening in het tuchtrecht: Voort met de Kaderwet Tucht(proces-)recht voor vrije beroepen!, Prof. Mr. B.C.M. Waaijer. Weekblad voor |Privaatrecht, Notariaat en |Registratie, afl. 143 afl 6927, pag. 312-314.

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.