Persoonlijke hulpmiddelen

Home > Over NPO > Rechtsgang > Uitspraken 2016 > Bezwaar niet laten meetellen vlucht voor dagfond in verband met te korte afstand (beroep)
Dossier B 16.1.1120

Bezwaar niet laten meetellen vlucht voor dagfond in verband met te korte afstand (beroep)

Eiser heeft bezwaar ingebracht tegen het besluit van verweerder om de wedvlucht vanuit Nanteuil, welke is gehouden op 28 mei 2016, niet te laten meetellen voor het kampioenschap dagfond van haar competitie WHZB/TBOTB. Het College heeft de eis van eiser afgewezen. (verzenddatum uitspraak: 24 februari 2017)

BESLISSING

van het
BEROEPSCOLLEGE VAN DE NEDERLANDSE POSTDUIVENHOUDERSORGANISATIE

Betreffende het beroep tegen de uitspraak van het Tucht- en Geschillencollege NPO d.d. 21 december 2016.

Partijen:
[Combinatie]
Wonende te [woonplaats]
appellanten

Stichting WHZB/TBOTB
Gevestigd te [woonplaats]
verweerster 

Partijen zullen hierna worden aangeduid als appellanten en verweerster.

BESTREDEN UITSPRAAK
De onderhavige zaak betreft een beroep van de appellanten tegen de uitspraak van het Tucht- en Geschillencollege NPO d.d. 21 december 2016. Het beroepschrift is tijdig ingediend en ontvangen.

Verweerders hebben geen verweerschrift ingediend.

De zaak is ter zitting d.d. 26 januari 2017 door het Beroepscollege NPO behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:

  • Appellant

Namens verweerster

  • voorzitter bestuur WHZB
  • bestuurslid 1 WHZB
  • bestuurslid 2 WHZB

ONDERZOEK TER ZITTING

  • Over de bevoegdheid

Het Beroepscollege is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot onbevoegdheid van het Beroepscollege. Het Beroepscollege acht zich daarom bevoegd van het beroepschrift kennis te nemen.

 

  • Over de ontvankelijkheid

Het Beroepscollege heeft uit de correspondentie van verweerster begrepen dat verweerster van mening is dat verweerster niet onder het verenigingstuchtrecht van de NPO valt nu zij geen lid is van de NPO; dat dientengevolge appellant reeds in eerste aanleg niet ontvankelijk in zijn beroep had dienen te worden verklaard en dat in de onderhavige procedure het Beroepscollege appellant alsnog niet ontvankelijk dient te verklaren. Het beroepscollege overweegt dat verweerster een rechtspersoon is zoals bedoeld in artikel 33 Statuten NPO en zoals bedoeld in artikel 35 Huishoudelijk Reglement NPO. In het Reglement Rechtspleging NPO, deel geschillenrecht, artikel G1 lid 1 is bepaald dat het College en het Beroepscollege alle geschillen kunnen beslechten, /…/ waarbij partij zijn de NPO, Leden NPO en/of andere rechtspersonen als genoemd in Statuten artikel 33. Op grond van het voorgaande is het Beroepscollege van oordeel dat verweerster wel degelijk onder het verenigingstuchtrecht van de NPO valt. Voorts is niet gebleken van andere feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot niet ontvankelijkheid van het beroepschrift. Het Beroepscollege acht daarom appellanten ontvankelijk in hun beroep.

 

  • Over het geschil; standpunten van partijen

Het geschil betreft de bepaling in het reglement WHZB TBOTB dat een terugvlucht dagfond slechts meetelt als de kortste afstand binnen de afdeling minimaal 450 km is. Appellant is van mening dat het TGC in haar overwegingen ten onrechte heeft geconstateerd dat verweerster bij het berekenen van haar kampioenschappen gedurende jaren een consistent beleid heeft gevoerd in de zin dat verweerster bij haar berekeningen alleen vluchten heeft meegeteld waarvan de kortste afstand in de betreffende afdeling 450 km bedroeg en dat het TGC het om die reden niet redelijk en billijk acht, nu er van een consistent beleid sprake is, afwijkend van dit consistente beleid te besluiten nu hiermee immers in gelijke gevallen die zich in het verkleden hebben voorgedaan binnen de competities van verweerder, aan de toen betrokken liefhebbers onrecht worden aangedaan.

De voorzitter geeft appellant de gelegenheid het beroepschrift toe te lichten. Appellant wijst, zoals ook gesteld in zijn beroepschrift, op afwijkingen van de gestelde regel dat de minimale afstand 450 km is. In het verleden heeft verweerster ook uitslagen over kortere afstanden meegeteld. Er is dus naar de stellige overtuiging van appellant in het geheel geen consistent beleid gevoerd. Het tegendeel is het geval stelt appellant zoals blijkt uit de door appellant in het beroepsschrift beschreven voorbeelden. Er is dan ook naar de stellige overtuiging van appellant geen reden om de onderhavige dagfondvlucht niet mee te tellen.

 De voorzitter geeft verweerster de gelegenheid alsnog verweer te voeren tegen het beroep van appellant. Verweerster pleit aan de hand van bijgevoegde pleitnota. Verweerster erkent dat in het verleden ook kortere dagfondvluchten zijn meegeteld. Dit leverde steeds conflicten op tussen liefhebbers en verweerster. Om die reden heeft verweerster met ingang van 2016 haar reglement aangepast en kenbaar gemaakt. Er zijn in 2016 geen uitzonderingen op deze regel gemaakt. Indien het beroep van appellant zou worden gegrond verklaard, zou dat precedenten scheppen voor andere duivenhouders.

De voorzitter vraagt appellant of hij gevallen kent waarin de verweerster in 2016 een dagfondvlucht heeft laten meetellen van minder dan 450 km. Appellant kent dergelijke gevallen niet en heeft desgevraagd geen behoefte daar nader onderzoek naar te doen.

  • Overwegingen

Het Beroepscollege overweegt dat het TGC terecht de klacht van appellant heeft afgewezen doch dat het TGC deze afwijzing op onjuiste gronden heeft gevestigd. Er is immers geen sprake van een gedurende jaren consistent gevoerd beleid. Er is sprake van nieuw beleid dat verweerster heeft ontwikkeld en bekend gemaakt teneinde conflicten als het onderhavige in de toekomst te voorkomen. Uit niets blijkt dat verweerster dit beleid niet consistent heeft gevoerd sinds de invoering daarvan. Het Beroepscollege besluit tot bekrachtiging van de uitspraak van het TGC doch met aanpassing van de gronden.

DE BESLISSING

Het Beroepscollege verklaart het beroep van appellant ongegrond en bekrachtigt de bestreden beslissing van het Tucht- en Geschillencollege NPO d.d. 21 december 2016 met verbetering van de gronden zoals hierboven beschreven.

Het Beroepscollege veroordeelt appellant in de kosten van beide procedures zijnde € 150,- voor de procedure in eerste aanleg en € 250,- voor de beroepsprocedure.

Afschrift van deze beslissing is op 24 februari 2017 aan de partijen toegezonden. 

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.