Persoonlijke hulpmiddelen

Home > Over NPO > Rechtsgang > Uitspraken 2016 > Groep principiële liefhebbers vindt dat Afdeling hun principes niet waarborgt
Dossier 16.1.809

Groep principiële liefhebbers vindt dat Afdeling hun principes niet waarborgt

De Afdeling heeft een besluit aangenomen om in verband met de wens van principiële liefhebbers die niet op zondag willen spelen, de kampioenschappen aan te passen en de duiven afzonderlijk te vervoeren om mogelijk te maken dat deze teruggebracht worden terwijl andere duiven blijven staan. De kosten daarvan komen voor rekening van deze liefhebbers. De eiser bestrijdt de geldigheid van dit besluit. (verzenddatum uitspraak 16.1.809: 29 juli 2016)

Uitspraak

Van het Tucht- en Geschillencollege van de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie, hierna te noemen het College.

De kamer van het College, bestaande uit de heren P.E. Fidder (fungerend voorzitter), H. Lemmen, (fungerend secretaris) en de heer D.J. van Noort, bijeen te Veenendaal op 9 mei 2016, ter behandeling van het geschil dossier 16.1.809, voorgelegd door het bureau Rechtspleging NPO.

  • Kennisnemende van:

Het geschil aangespannen door de heer [Basislid c.s.], NPO-lidnummer [nummer], wonende te [Woonplaats1] hierna te noemen “eiser”, tegen het Bestuur [Afdeling], nader te noemen “verweerder”.

In deze wordt verwezen naar:
Het door Mr. J. van Eerbeek van BVD Advocaten ingebrachte geschrift ex art. reglement rechtspleging NPO.

  • Ten aanzien van de bevoegdheid:

Dat het college op voet van het bepaalde in artikel 31 lid 6 van de Statuten NPO en artikel G1 lid 1 van het Reglement Rechtspleging niet anders kan doen dan de klacht in behandeling te nemen.

  • Ten aanzien van de klacht:

Het College acht eiser ontvankelijk in zijn klacht. 

  • Ten aanzien van de procedure:

Ter zitting zijn aanwezig:

  • Naast eiser zelf,  zowel zijn raadsman mr. J. Eerbeek, als de door eiser gevolmachtigde, de heer [gevolmachtigde].
  • Namens verweerder zijn aanwezig:
    De [voorzitter], de [secretaris], [bestuurslid1], [bestuurslid2] en [bestuurslid3]
  • Aanwezige basisleden [Afdeling], [toehoorder1] en [toehoorder2]

 

  • Ten aanzien van de feiten en omstandigheden: 

Verwezen wordt naar de zijdens eiser en verweerder in het geschil gebrachte stukken. Met name wordt verwezen naar het Geschrift en het Repliek van eiser en het Verweerschrift, de schriftelijke verklaring van [voorzitter] en het Dupliek van verweerder.

Vanwege het gegeven dat het verweerschrift van verweerder eerst ter zitting aan het College en eiser werd aangeboden, waardoor het eiser niet mogelijk was direct inhoudelijk hierop te reageren, heeft het College bepaald dat de zitting is verdaagd onder navolgende voorwaarden:

  • Eiser wordt een reactietijd van 3 weken gegund om een inhoudelijke schriftelijke reactie in de vorm van repliek in te brengen op het verweerschrift van verweerder. 
  • Verweerder dient vervolgens binnen 3 weken na ontvangst van het repliek van eiser, dupliek in te brengen.
  • Het geschil zal door het College vervolgens schriftelijk worden afgedaan.

 

  • Ten aanzien van de conclusie van het College: 
  1. Een vereniging wordt opgericht bij notariële akte. In die akte worden ook de Statuten opgenomen. Deze moeten worden gezien als het belangrijkste document dat betrekking heeft op de rechtspersoon, naast de Wet zelf.
  2. Wanneer sprake is van besluit in strijd met de statuten dan is dat besluit in beginsel nietig.
  3. Is het besluit in strijd met de regels uit de statuten die de totstandkoming van besluiten regelt, dan is het vernietigbaar.
  4. De statuten moeten dus worden gevolgd. Besluiten die tegen regels van de statuten in gaan, zijn nietig of vernietigbaar.
  5. De primaire vraag die het College zich heeft gesteld is of het besluit in kwestie in strijd is met de regels van de Statuten. Het College vindt van niet. Zij heeft in het besluit geen elementen gevonden die de inhoudelijke doelstelling of betekenis van artikel 3 en/of artikel 3A zodanig aantasten dat van strijdigheid sprake is.
  6. Vervolgens stelt het College zich de vraag of het besluit vernietigbaar is? Het College komt in haar conclusie tot de volgende vaststelling:

    Het besluit is genomen volgens de regels uit de Statuten, dus volgens hetgeen hieromtrent is bepaald in het Huishoudelijk Reglement van [Afdeling].

    Het beroep van eiser op strijdigheid met de wettelijke regel van redelijkheid en billijkheid kan naar de mening van het College eveneens geen stand houden. De waarborg van de zondagsrust, door eiser in zijn eis ten gronde neergelegd, blijft in het besluit ten aanzien van artikel 3 en 3A van de Statuten onveranderd. Het College kwalificeert het besluit om die reden als redelijk en billijk.
     
  • Eis van eiser:
    • Eiser verzoekt het College voor recht te verklaren dat het besluit nietig is  op grond van artikel 2:14 BW of voor zover geen sprake is van nietigheid, het besluit vernietigbaar te verklaren op grond van artikel 2.15 BW.
    • Het besluit d.d. 7 maart 2016 te vernietigen op grond van artikel 2:15
    • Voor recht te verklaren dat verweerder niet tot uitvoering van het besluit mag overgaan.
    • Voor recht te verklaren dat verweerder niet tot uitvoering van het besluit d.d. 7 maart 2016 ter zake mag overgaan nu dat besluit nog niet is vastgelegd in het HR van de [Afdeling].
    • Verweerder te veroordelen tot naleving van art. 3 jo 3A van haar Statuten en art. 50 van haar HR op de wijze zoals dat voor het besluit d.d. 7 maart 2016 het geval was op straffe van een dwangsom van € 5.000,--  voor elke dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat verweerder één van voornoemde artikelen overtreedt.
    • Verweerder  te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat en haar oordeel bij voorraad te verklaren.


Uitspraak van het College:

Het College acht zich onbevoegd uitspraak te doen in het geschil. Een vordering tot een verklaring van recht dient naar haar mening te worden ingesteld bij de bevoegde rechter in de bodemprocedure.

Het College bepaalt dat de kosten van partijen, ieder voor zich dienen te worden gedragen. Verrekening van kosten door het College groot € 250,-- dienen binnen 14 dagen na verzending van deze uitspraak, door beide partijen elk voor 50% te worden voldaan door overschrijving op bankrekening NL42 INGB 0687212642 ten name van NPO Veenendaal onder vermelding van Fonds Rechtspleging en dossiernummer.

Tegen deze uitspraak kan door partijen op basis van artikel A31 van het Reglement Rechtspleging NPO beroep worden aangetekend bij het Beroepscollege NPO

Aldus uitspraak gedaan en verzonden op 29 juli 2016

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.