Persoonlijke hulpmiddelen

Home > Over NPO > Rechtsgang > Uitspraken 2016 > Groep principiële liefhebbers vindt dat Afdeling hun principes niet waarborgt (Beroep)
Dossier B 16.1.809

Groep principiële liefhebbers vindt dat Afdeling hun principes niet waarborgt (Beroep)

Principiële duivenhouders , die vanwege hun religie de zondagsrust wensen te handhaven, hebben een geschil met de afdeling over een besluit dat in de Afdelingsledenvergadering is genomen om de kosten van gescheiden inkorven en vervoer geheel door de principiëlen te laten dragen en de wens om de reguliere kampioenschappen te splitsen in zaterdag- en zondagkampioenschap (verzenddatum uitspraak 21 december 2016)

Uitspraak 

van het Beroepscollege van de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie betreffende het beroep tegen de uitspraak van het Tucht- en Geschillencollege NPO d.d. 29 juli 2016

Dossiernummer: 16.1.809

Partijen: [Basislid c.s.] Wonende te [Woonplaats1]
verzoeker
Gemachtigde: de heer mr. J. van Eerbeek, advocaat

[Afdeling], Gevestigd te [Vestigingsplaats] en kantoor houdende te [Woonplaats2]
Verweerder
Gemachtigde: bestuur

 Partijen zullen hierna worden aangeduid als verzoeker en verweerder.
 

BESTREDEN UITSPRAAK

De onderhavige zaak betreft een beroep van verzoeker tegen de uitspraak van het Tucht- en Geschillencollege NPO d.d. 29 juli 2016. Het beroepschrift is tijdig ingediend en ontvangen.
Verweerders hebben een verweerschrift d.d. 6 oktober 2016 ingediend.
De zaak is ter zitting d.d. 11 oktober 2016 door het Beroepscollege NPO behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:
Verzoeker met zijn gemachtigde mr. J. Eerbeek en verweerder middels haar bestuur.


ONDERZOEK TER ZITTING

  • Over de bevoegdheid

Het Beroepscollege is,  anders dan het Tucht- en geschillencollege NPO, niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot onbevoegdheid van het Beroepscollege. Het Beroepscollege acht zich daarom bevoegd van het beroepschrift kennis te nemen. 

  • Over de ontvankelijkheid

Het Beroepscollege is niet gebleken van feiten en omstandigheden die zouden kunnen leiden tot niet ontvankelijkheid van het beroepschrift. Het Beroepscollege acht daarom verzoeker ontvankelijk in haar verzoek.

  • Over het geschil; standpunten van partijen

De voorzitter stelt dat het Beroepscollege zich weliswaar bevoegd acht doch het Beroepscollege maakt daarbij wel de opmerking dat de bevoegdheid van het Beroepscollege voor wat betreft de eventuele toewijzing van de verzoeken discutabel is nu de vorderingen hoofdzakelijk civielrechtelijk van aard zijn. Het Beroepscollege zal zich daarover expliciet uitspreken.

De voorzitter verzoekt verzoeker de kern van het geschil te formuleren.

Verzoeker stelt dat het geschil zich toespitst op de opvattingen van de principiële duivenhouders, die vanwege hun religie de zondagsrust wensen te handhaven en de rest die geen principiële bezwaren hebben tegen vliegen of andere activiteiten op de zondag.

 Verweerder stelt als kern van het geschil de vraag of de Algemene Ledenvergadering het betreden besluit conform de regels heeft genomen.

 De consequenties van deze geschillen worden door verzoeker en verweerder verschillend geduid.
Zo stelt verzoeker dat het op zaterdag inkorven betekent dat de duiven de facto niet op zaterdag kunnen worden gelost en/of tijdig worden teruggebracht. Ook indien de duiven op vrijdag worden ingekorfd komt het voor dat, indien de duiven niet kunnen worden gelost, de duiven niet tijdig worden teruggebracht; dat de kosten van gescheiden inkorven en vervoer geheel door de principiëlen zouden moeten worden gedragen en dat de afdeling 8 de reguliere kampioen-schappen wenst te splitsen in zaterdag- en zondagkampioenschap.

Verweerder stelt dat zij inderdaad een gesplitst kampioenschap heeft ingesteld en dat het systeem van gemiddelde punten is vervallen; dat de zaterdag als inkorfdag wordt toegevoegd en dat het huishoudelijk reglement zou worden aangepast als het voorstel in de voorjaarsvergadering 2016 zou worden aangenomen.

De voorzitter geeft verzoeker de gelegenheid het beroepschrift toe te lichten en te reageren op het verweerschrift van verweerder.
Verzoeker pleit conform zijn pleitnota. De pleitnota is gehecht aan deze uitspraak en vormt daarmee een geheel.

Verweerder bestrijdt hetgeen verzoeker stelt en gebruikt daarvoor hoofdzakelijk de argumenten uit het verweerschrift.

  • Overwegingen

Het Beroepscollege overweegt dat de voorgenomen wijziging van artikel 50 in het huishoudelijk reglement niet in overeenstemming is en valt te brengen met de Statuten van [Afdeling], artikel 3A.

Weliswaar kan [Afdeling] worden toegegeven dat in artikel 3A wordt gesproken over Leden Basisverenigingen doch in artikel 3 gaat het wel degelijk over het eerbiedigen van ieders godsdienst, levensovertuiging /…/. Artikel 3A is een uitwerking van artikel 3. Artikel 34 lid 5 en 6 zijn een toepassing van artikel 2:43 BW en vindt dus steun in wet en regelgeving.

Het voorgaande betekent dat de afdeling de wijziging van het huishoudelijk reglement ten onrechte heeft voorgesteld. De afdeling had eerst een voorstel voor wijziging van de statuten aan de Algemene Vergadering dienen voor te leggen conform de daarvoor geldende regels; in het bijzonder artikel 34 lid 5 en 6.

Het voorgaande betekent dat het beroep van de heer [Basislid c.s.] slaagt.
 

DE BESLISSING

Het Beroepscollege verklaart de voorgenomen wijziging van het huishoudelijk reglement nietig. Het Beroepscollege wijst af het anders of meer gevorderde en verwijst partijen daarvoor naar de burgerlijke rechter.

Het Beroepscollege veroordeeld de [Afdeling]  in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in beroep. De kosten bedragen in totaal € 400,=

Een afschrift van deze beslissing is op 21 december aan de partijen toegezonden 

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.