Persoonlijke hulpmiddelen

Home > Over NPO > Rechtsgang > Uitspraken 2016 > Verdenking Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven
Dossier 16.2.617

Verdenking Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven

De aanklager heeft een tuchtzaak ingebracht tegen beklaagde vanwege een mogelijk tuchtrechtelijk vergrijp gepleegd door beklaagde. Beklaagde wordt er van verdacht van het in strijd handelen met het Reglement Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven NPO. Kort gezegd komt de geconstateerde overtreding er op neer dat beklaagde de belangen van de NPO en de duivensport in het algemeen heeft geschaad door oneigenlijk gebruik van substanties bij postduiven, waarbij door beklaagde de duiven zijn blootgesteld aan een of meerdere substanties die voor duiven schadelijk zijn of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze schadelijk zijn voor postduiven (verzenddatum uitspraak: 31 januari 2017)

UITSPRAAK

Partijen:
Eiser:              Aanklager NPO
Beklaagde:      [Basislid].
Dossier:          16.2.617

Uitspraak van het Tucht- & Geschillencollege NPO, hierna te noemen: Het College.
De samengestelde behandelende kamer van het College bestaande uit:
-          De heer P.E. Fidder               fungerend voorzitter
-          De heer N.A. Meuwsen        fungerend secretaris
-          De heer H. Lemmen              Lid
-          De heer H. Berkers               Lid
-          De heer  D. Noort                 Lid

Zitting houdende te Veenendaal op woensdag 14 december 2016, ter behandeling van de tuchtzaak tegen [Basislid] nader te noemen beklaagde, wonende [adres], aangebracht door de aanklager NPO de heer Mr. L.J. Krijgsman, nader toe noemen; De Aanklager.

  • Omschrijving van de zaak:

De aanklager heeft een tuchtzaak ingebracht tegen beklaagde vanwege een mogelijk tuchtrechtelijk vergrijp gepleegd door beklaagde. Uit het onderzoek van de aanklager is naar voren gekomen dat beklaagde mogelijk in strijd heeft gehandeld met het reglement NPO en dat dat handelen als zodanig in aanmerking kan komen voor een tuchtrechtelijke maatregel (artikel T1 sub 2 Reglement Rechtspleging P NPO)

De aanklager beschuldigt beklaagde van statutaire en/of reglementaire overtredingen van de Statuten en/of Reglementen NPO gepleegd in 2016. Beklaagde wordt er van verdacht deze Statuten/Reglementen niet te hebben nageleefd en zodoende zijn lidmaatschapsverplichtingen als NPO lid niet te zijn nagekomen. Deze Statuten/Reglementen betreffen het in strijd handelen door beklaagde met het Reglement Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven NPO.

Kort gezegd komt de geconstateerde overtreding er op neer dat beklaagde de belangen van de NPO en de duivensport in het algemeen heeft geschaad door oneigenlijk gebruik van substanties bij postduiven, waarbij door beklaagde de duiven zijn blootgesteld aan een of meerdere substanties die voor duiven schadelijk zijn of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze schadelijk zijn voor postduiven.

Er zijn diverse substanties bij duiven verboden en daaronder vallen ook niet-steroïdale ontstekingsremmers ( zie artikel 3 van het Reglement Oneigenlijk gebruik van Substanties bij postduiven NPO).

  • Ten aanzien van de bevoegdheid van de Kamer:

Op grond van het bepaalde in Artikel A7 lid c Reglement Rechtspleging acht het College zich bevoegd de onderhavige zaak in behandeling te nemen.

  • Oproepen partijen:

De volgende partijen zijn voor de zitting van 14 december 2016 opgeroepen aanwezig te zijn:

  1. Namens de NPO: de heer Mr. L.J. Krijgsman in zijn functie van Aanklager NPO.
  2. Beklaagde: [Basislid], lid NPO, lidnummer [#]

Voor aanwezigheid van deskundigen van partijen in persoon wordt verwezen naar de presentielijst.

Uitspraak Tucht- & Geschillencollege van de NPO

  • Ten aanzien van de feiten en omstandigheden:

Op 22 juni 2016 is de mest van de duiven op de hokken van beklaagde meegenomen en door het laboratorium Ducares in Utrecht geanalyseerd. De uitslag bij 1e screening daarvan was positief, hetgeen in dit geval inhoudt dat genoemd laboratorium de mest als verdacht op de aanwezigheid van Diclofenac heeft verklaard. Diclofenac valt onder de groep niet-steroïde ontstekingsremmers welke zijn verboden.

Diclofenac is een lichaamsvreemde stof die niet thuis hoort in een duif. Om die reden geldt hiervoor een 0-tolerantie. Het kan nooit aanwezig zijn in duivenvoer en is bij de constatering ervan altijd exogeen toegediend.

  • Verloop van de hoorzitting:
  1. De voorzitter verzoekt partijen enkel via hem te communiceren. Onderlinge discussies tijdens de zitting tussen partijen worden niet toegestaan.
  2. Verwezen wordt naar de stukken die door partijen in het geding zijn gebracht. Deze stukken worden geacht integraal te zijn opgenomen in het verslag van de hoorzitting.
     

Hoofdpunten van de hoorzitting:

  1. De aanklager verwijst naar zijn verzoekschrift en het onderzoek uitgevoerd door Labo Ducares. De uitslag van dit onderzoek was positief, het laboratorium heeft in haar screeningsonderzoek de mest verdacht van aanwezigheid van Diclofenac geconstateerd. Deze stof valt onder de groep “niet-steroïde ontstekingsremmers” die volgens de reglementen verboden zijn.
  2. Deskundige Derycke stelt zijdens de aanklager dat uit het onderzoek is gebleken dat onomstotelijk Diclofenac in het mestmonster is aangetroffen. Als het wordt geconstateerd, dan is het niet van belang of van een grote of kleine hoeveelheid sprake is. Voor de aanwezigheid van deze stof geldt in de duivensport een 0-tolerantie. Als het wordt aangetroffen is het altijd toegediend stelt hij. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de liefhebber. Het is daarom aan beklaagde om aan te tonen dat die toediening niet door hem of door toedoen van hem heeft kunnen plaats vinden, betoogt hij.
  3. Dat er op verzoek van beklaagde, gezien de hoge kosten ervan, geen bevestigingsonderzoek heeft plaatsgevonden kan hij begrijpen. De uitslag van een dergelijk onderzoek zal gelijk zijn aan het screeningsonderzoek.
  4. De deskundigen van beklaagde bestrijden dat het labo Ducares geaccrediteerd is voor het uitgevoerde type onderzoek.
  5. Beklaagde geeft aan dat een bevestigingsonderzoek vanwege de hoge kosten
    (€ 3000,--) niet is uitgevoerd. Hem was door een deskundige voorgehouden dat de uitslag ervan identiek zou zijn aan die van het screeningsonderzoek.
  6. Beklaagde heeft geen vertrouwen in de uitslag van het screeningsonderzoek. Een dergelijk onderzoek is zeer specifiek, zelfs een monster waar niets in zit kan toch positief testen is zijn mening.
  7. Beklaagde bestrijdt de conclusie van deskundige Derycke dat de aanwezigheid van  Diclofenac in het mestmonster onomstotelijk is vastgesteld. Het screeningsonderzoek is een eerste grove stap waarvan de conclusie nog moet worden bevestigd door het zeer specifieke bevestigingsonderzoek van het mestmonster.
  8. Beklaagde geeft aan dat de monstername niet correct zou zijn verlopen. Er zou daardoor sprake zijn van contaminatie. Hiervan spreekt men als de mest van het mestmonster in contact is gekomen met Diclofenacsporen die van buiten het hok, het hok binnen zijn “gesleept”. Als voorbeelden geeft beklaagde aan; 
    • dat er Diclofenac in het pas aangelegde grasperk voor het hok aanwezig was;
    • dat er naar schatting, na het bekend worden van de overwinning, ca. 25 man in het duivenhok zijn geweest die daardoor sporen van de stof Diclofenac zouden hebben binnengebracht; 
    • dat de stof door de duiven mogelijk bij het drinken van met Diclofenac verontreinigd oppervlaktewater is binnengebracht.
      Allemaal omstandigheden die buiten wil en bedoeling van beklaagde aan de orde kunnen zijn geweest, stelt beklaagde. 
  1. Beklaagde wijst op de puberteit van de dopingcommissie in relatie tot de fijnheid van het uitgevoerde specifieke onderzoek. De 0-tolerantie zou hiermee op zijn minst op gespannen voet staan stelt de deskundige van beklaagde. 

 

  • Overwegingen:

Het College gaat bij haar overweging uit van de volgende feiten:

  1. Uit het eerste onderzoek van het mestmonster door labo Ducares  is gebleken dat het monster verdacht is op aanwezigheid van Diclofenac
  2. Als Diclofenac in een mestmonster wordt geconstateerd is het altijd exogeen aangebracht.
  3. In de duivensport geldt voor de negatieve uitslag van het onderzoek een 0-tolerantie
  4. Artikel 6 Reglement Oneigenlijk gebruik van Substanties bij Postduiven NPO geeft aan dat ieder basislid te allen tijde verantwoordelijk is voor oneigenlijk gebruik van substanties bij zijn duiven.           
  • Overwegingen die leiden naar het oordeel van het College:

1.         De juistheid van het onderzoek door Ducares.
De uitslag van het 1e onderzoek gedaan door labo Ducares gaf de notatie “verdacht” op aanwezigheid van Diclofenac in het mestmonster. Verwijzend naar “artikel 21 Reglement Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven NPO “ had het College kunnen en mogen aannemen, nu door beklaagde geen gebruik gemaakt is van de mogelijkheid een bevestigend onderzoek te laten uitvoeren, dat het resultaat van het 1e onderzoek als juist en definitief kan worden aangemerkt. Desondanks heeft het College gemeend toch en dit op kosten van de NPO, een bevestigend onderzoek te laten verrichten. Zij heeft hiervoor het geaccrediteerde onderzoeksbureau van de universiteit Wageningen ingeschakeld. In het bijzijn van de voorzitter van de kamer in dit geschil is het gelijke, afgescheiden deel van het originele mestmonster van het labo Ducares overgebracht naar het labo van de universiteit Wageningen. Dit labo heeft vervolgens vanuit dat monster een specifiek bevestigingsonderzoek uitgevoerd. De uitslag ervan gaf een positieve waarde Diclofenac aan van 2.0 ug (zie de bijlage van de conclusie van labo Wageningen, die is gevoegd bij deze uitspraak).

Opmerkelijk bij deze onderzoeken is dat de uitslag van het onderzoek van labo Ducares een resultaat gaf van 4.0 ug en die van het labo Wageningen 2 ug. geeft. Als verklaring voor het verschil wordt door labo Wageningen aangegeven dat, hoewel het verschil erg groot is, die resultaatvermindering door de invloed van de veroudering van het monster tot dat verschil kan leiden.
Volledigheidshalve verwijst het College naar een ander, analoog onderzoek, uitgevoerd door het labo. Dr Schalck De Kock (Zuid Afrika). Het betreft een bijna gelijke vaststelling van het verschil van 57% bij een onderzoek van een A-staal met een uitslag van 2.5 ppb en dat van het B-staal 4.4 ppb. Volgens Dr. De Kock spelen hier twee belangrijke parameters een rol:

    1. de onzekerheid van de meting of “precisie” hetgeen vertaald kan worden als een     inschatting van de limieten van experimentele fout
      en
    2. de accuraatheid van de meting of “bias” hetgeen vertaald kan worden als een in het verschil tussen het gemiddelde van de experimentele metingen en het feitelijke gemiddelde (de “waarheid”)
      Feit is en blijft dat zowel in het onderzoek van labo Ducares als in het onderzoek van labo Wageningen, positieve waarden zijn gemeten. 

 

2.         De waarschijnlijkheid van contaminatie:
Contaminatie behoort tot de mogelijkheid maar is niet aangetoond. Elk hiertoe door beklaagde ingebracht verweer faalt wegens gebrek aan bewijs.

Door beklaagde is:

    1. geen resultaat van een onderzoek van een grondmonster van het grasperk voor het duivenhok ingebracht
    2. geen bewijs geleverd dat de monsternemers niet volgens de voorgeschreven procedure hebben gewerkt. Op initiatief van het College hebben de voorzitter en de secretaris van de behandelende kamer de beide monsternemers ten kantore van de NPO Veenendaal, ieder afzonderlijk gehoord. De verklaringen van zowel monsternemer [Controleur 1] als [Controleur 2] waren ten aanzien van de gevoerde werkwijze eensluidend. Beiden hebben verklaard dat de procedure is uitgevoerd volgens de Checklist voor het nemen van mestmonsters voor de controle op Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven.
      Dat de monsternemers gehandeld hebben als boven beschreven wordt bevestigd doordat op het controleformulier geen opmerking van beklaagde in een andere richting wijst. 

 

3.   Door beklaagde is geen bewijs geleverd dat contaminatie door de monsternemers is
veroorzaakt.

  •  Uitspraak bij voorraad:

Het College bepaalt dat:

Vaststaat dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. In de duivensport bestaat een 0-tolerantie voor de aanwezigheid van o.a. Diclofenac. Gebleken is dat de gemeten resultaten uit de onderzoeken van het genomen mestmonster op het hok van beklaagde, welke onderzoeken zijn  uitgevoerd door het labo. Ducares en het labo van de universiteit Wageningen, boven de 0-tolerantie liggen. Hiermee is  wettig en overtuigend bewezen dat beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan het gebruik/toedienen van substanties die in strijd zijn met hetgeen is aangegeven in artikel 3 van het Reglement Oneigenlijk gebruik van Substanties bij Postduiven NPO.

Beklaagde wordt, naar aanleiding van het handelen in strijd met het Reglement Oneigenlijk Gebruik van Substanties bij Postduiven, op basis van artikel T1 sub 2 Reglement Rechtspleging NPO met doorverwijzing naar en in achtneming van het gestelde onder artikel T4 lid 1e van datzelfde reglement, uitgesloten van het inkorven en meespelen van opleervluchten en wedvluchten (artikel T7 Reglement Rechtspleging NPO, lid a) georganiseerd door of onder auspiciën van de NPO. Dit gedurende 5 jaar waarvan 2 jaar voorwaardelijk, gerekend vanaf de datum van verzending van deze uitspraak (artikel T10 Reglement Rechtspleging NPO). Een en ander met inachtneming van het gestelde onder artikel T4 lid 4 Reglement Rechtspleging NPO.

Veroordeelt beklaagde verder tot een geldelijke boete van € 500,= (artikel T4  lid 1.d. Reglement Rechtspleging NPO), alsmede tot betaling van de proceskosten (artikel 4 lid 1. b Reglement Rechtspleging NPO). Deze kosten worden vastgesteld op een totaalbedrag van 250 euro zijnde hoofdzakelijk kilometervergoedingen voor de collegeleden. Deze bedragen dienen binnen 14 dagen na verzending van deze uitspraak te worden voldaan door storting of overschrijving op bankrekening nr. NL42 INGB 068.72.12.642 t.n.v. NPO Veenendaal onder vermelding van Fonds Rechtspleging en dossiernummer.

Bij niet tijdige betaling wordt het bedrag verhoogd met een wettelijke rente, welke 2% per jaar bedraagt.

Tegen deze uitspraak kan door partijen krachtens artikel A31 van het Reglement Rechtspleging NPO binnen 1 maand na verzenddatum (krachtens besluit van de Algemene Vergadering is deze termijn aangepast) beroep worden aangetekend bij het Beroepscollege NPO, door een brief te richten aan het bureau NPO Secretariaat Rechtspleging, Landjuweel 38, 3905 PN Veenendaal, terwijl tegelijkertijd een bedrag van € 45,= moet worden overgemaakt op bankrekening
NL42 INGB 068.72.12.642 t.n.v. NPO Veenendaal, onder vermelding van Fonds Rechtspleging en dossiernummer.

Aldus uitspraak gedaan op 28 januari 2017 en verzonden op 31 januari 2017

Realisatie door Four Digits op basis van Plone.